Carnaval

Carnaval is van oorsprong eigenlijk een groot eetfeest. Het is namelijk het feest voordat de vastentijd begint. Inmiddels is het tot een groot verkleedfeest geworden. Met carnaval kan het niet groots, niet gek en niet uitbundig genoeg. Er zijn optochten en er wordt tot diep in de nacht gegeten, gedronken, gezongen en gedanst.

De datum van carnaval is verbonden met Pasen. Paaszondag valt op de eerste zondag na de eerste vollemaan na het begin van de lente. De 40 dagen voor Pasen is de vastentijd. 7 weken voor Pasen begint carnaval. Carnaval duurt officieel van zondag tot dinsdag.

Er zijn meer carnavalsfeesten zoals bijvoorbeeld het zomercarnaval. Het carnavalsseizoen start op 11 november en vanaf dan vinden ook een tal van carnavalsvieringen plaats. 11 november is de kortste dag en het getal 11 staat symbool voor gekheid en dwaasheid.

Van oudsher worden maskers gezien als een hulpmiddel om het geestelijke leven door de mens heen te laten klinken. Maskers zijn dus een soort poort tussen het leven hier op aarde en het leven in de geestelijke wereld of het dodenrijk.  Door een masker te dragen met carnaval, kan de mens zich uiteenzetten met ‘het dode’ in zichzelf. Door te zingen, te dansen, gek te doen en te feesten, schudt men als het ware het dode van zich af. Zodat men goed voorbereid en schoon is voor het nieuwe begin (de lente en pasen).
In de natuur zien we een soortgelijke beweging. In de maand februari verliezen veel bomen hun dode takken, zodat er ruimte is voor de groei van nieuwe loten en twijgen.
Met carnaval maken we door ‘het dode’ los te laten plaats voor ‘het nieuwe leven’.

Carnaval is het eerste feest in de paascyclus. Het feest volgt op Maria Lichtmis. Na carnaval begint de vastentijd, Palmpasen, de goede week en Pasen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *